Pedagogisch profiel

Doelgroep van de thuisbegeleiding
Thuisbegeleiding richt zich op gezinnen met kinderen (van 0 tot 18 jaar) waarbij er sprake is van een problematische opvoedingssituatie (POS) of waarbij een jongere een als misdaad omschreven feit pleegde (MOF). Deze gezinnen kunnen uit alle bevolkingslagen komen. Een doorverwijzing kan slechts gebeuren door het Comité Bijzondere Jeugdzorg of de Jeugdrechtbank. De opvoedingsproblemen kunnen op zich staan, maar veelal zijn ze verweven met moeilijkheden op andere domeinen, zoals financiële en/of huisvestingsproblemen, problemen in de partnerrelatie, problemen in de interacties tussen gezin en omgeving. Niet zelden kampen deze gezinnen reeds een lange tijd – over meerdere generaties heen – met diverse en complexe problemen.
Sommige hulpvragen en gezinsomstandigheden vragen om een andere vorm van hulp. Daarom zijn er contra-indicaties voor de doelgroep en de hulpvraag:
- De veiligheid en/of de basisbehoeften van (één van) de kinderen is in gevaar én het lukt niet om hierin een positieve evolutie op gang te brengen door mobiele ondersteuning.
- Er is bij de ouders geen enkel engagement op te bouwen om het gesprek over de opvoeding aan te gaan. We proberen dit engagement uiteraard te stimuleren bij opgelegde hulpverlening.
- Individuele problemen van de kinderen vragen een meer specialistische begeleiding (vb. vanuit VAPH of kinderpsychiatrie).
- Individuele problemen van de ouders (vb. ernstige psychiatrische problemen, verslavingsproblematiek, gedragsstoornis, ziekte, handicap,…) zijn een contra-indicatie wanneer we niet met de ouders kunnen werken rond hun opvoedingsaanpak.
- Taalbarrière.
- De veiligheid van de begeleider is in gevaar.
- Gezinnen in acute crisis die een meer intensieve vorm van hulp nodig hebben.
Doelstelling van de thuisbegeleiding
De thuisbegeleiding wil de kracht van gezinsleden vergroten om de opvoeding thuis vlotter te laten verlopen. Thuisbegeleiding richt zich op alle haalbare en binnen onze samenleving te verantwoorden doelen die betrekking hebben op de opvoeding van de kinderen binnen een gezin. Deze opvoedingsdoelen worden bepaald door het gezin en de consulent. We sluiten aan bij het proces van de gezinsleden.
Doelstelling van thuisbegeleiding is dat het gezin zijn vooropgesteld einddoel bereikt.
Methodieken
Theoretische achtergrond en wetenschappelijke ondersteuning
In het team thuisbegeleiding integreerden we de methodiek ‘Gezin Centraal’1 in onze werking door een gezamenlijke 11-daagse vorming, begeleid door buro Bolt2.
Gezin Centraal is ontwikkeld door jeugdhulpverleningsinstelling Cardea i.s.m. Universiteit Leiden, afdeling orthopedagogiek. Het panel Jeugdzorg beoordeelde deze werkvorm als ‘In theorie effectief’.3
Vraaggerichtheid en gezinsgerichtheid zijn de twee hoofdpijlers van Gezin Centraal. De vraaggerichtheid wordt methodisch uitgewerkt door de oplossingsgerichte benadering. De gezinsgerichtheid krijgt vorm in de systeemtheoretische en contextuele benadering.
Andere, aanvullende inspiratiebronnen zijn de leertheorie, de competentiegerichte hulpverlening en de theorieën m.b.t. communicatie. (Bolt, 2006,31-71)
Wanneer we hieronder de basishouding en de methodieken van onze thuisbegeleiding bespreken, worden de concrete consequenties van de twee basispijlers ruim geïllustreerd. Dit vormt ook onze operationalisering van gezinsgericht en emancipatorisch werken.
Door opleiding, vorming en literatuur integreerden we de basispijlers in onze werking. Het team thuisbegeleiding is multidisciplinair samengesteld: 3 maatschappelijk werkers, 1 psychologe, 1 orthopedagoge. In de basisopleidingen kregen de theoretische inspiratiebronnen verschillende klemtonen. In de 11-daagse opleiding ‘Gezin Centraal’ die we met het hele team volgden, trainden we specifieke oplossingsgerichte technieken. 4 teamleden volgden een langdurige vorming op systeemtheoretische basis. 2 teamleden volgden een meerdaagse bijscholing in de contextuele benadering. In de bibliotheek van thuisbegeleiding is literatuur aanwezig vanuit al deze stromingen.
Basishouding
We vertrekken vanuit een aantal algemene grondhoudingen en methodieken (vanuit de verschillende scholingen en opleidingen van de teamleden):
- Aanvaarding en geloof in de mogelijkheden van het gezin
- Emancipatorisch werken
- Authenticiteit/echtheid
- Meerzijdige partijdigheid
- Empathie en inzetserkenning
- Zoeken naar een begrijpbare taal
- Invloedsbesef vergroten
- Perspectief verbreden
- Binnenbrengen van maatschappelijke waarden en normen
In het team thuisbegeleiding van Amber integreerden we de methodiek ‘Gezin centraal’ in onze werking door een gezamenlijke 11-daagse teamtraining door Buro Bolt.
De belangrijkste basishoudingen van ‘Gezin centraal’
- Vraaggericht werken: De gezinsleden worden een sterke positie en een centrale rol toegekend. De gezinsleden behouden de regie over hun leven en over hun hulpproces. Daardoor vergroot de kans op succesvolle en effectieve hulpverlening. De hulpvraag van de gezinsleden staat centraal.
- Gelijkwaardigheid gezinsleden en begeleider: De relatie tussen begeleider en gezinsleden kenmerkt zich door samenwerking en dialoog. Er is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de ervaringsdeskundigen (gezinsleden) en de professionele deskundige (begeleider). De begeleider heeft een basishouding van onbevangenheid, openheid en vertrouwen in de mogelijkheden van de gezinsleden. De hulpverlening is gericht op het benadrukken en versterken van de competenties van de gezinsleden en op empowerment4. (Arjan Bolt (2006) , p. 27 – 28)
- Gezinsgericht werken: Er is een loyaliteitsband tussen ouders en kinderen. We bekijken de gezinnen vanuit de systeembenadering. Het probleem van één gezinslid kan niet los gezien worden van het gehele gezinssysteem. Er is aandacht voor het hele gezin. De hulp sluit aan bij de leefwereld van de gezinsleden. De hulp vindt plaats in de leefomgeving van het gezin. De hulpverlener benadert de gezinsleden op een systeemgerichte manier. De begeleider heeft een houding van meervoudige betrokkenheid. De hulp is gericht op het benadrukken en verbeteren van positieve, door de gezinsleden gewenste vormen van interactie. (Arjan Bolt (2006), p. 29 – 30)
- Oplossingsgericht werken: De focus van de thuisbegeleiding ligt op oplossingen en niet op problemen van de gezinsleden. Het vermogen van de gezinsleden om oplossingen te vinden wordt versterkt door met de gezinsleden hun krachten, kwaliteiten en vaardigheden te ontdekken, te benadrukken en te versterken. Doel is dat de gezinsleden zelf oplossingsgericht gaan denken. Dan kunnen de gezinsleden anticiperen op de schommelingen in het leven door gebruik te maken van hun eigen krachten en de krachten van hun omgeving.
- ‘Niet weten’: De ervaringen, kwaliteiten, ideeën en doelen van de gezinsleden zijn een belangrijk vertrekpunt in de begeleiding. Als begeleider zijn we ons ervan bewust dat zij een ander perspectief hebben op de werkelijkheid. We vragen door naar de manier waarop zij naar de werkelijkheid kijken, we tonen belangstelling in de gezinsleden en hun beleving. We helpen de gezinsleden om hun verhaal te vertellen door hun ideeën en gedachten mee te structureren en te ordenen. Deze basishouding is zichtbaar in verschillende vaardigheden: invoegen, actief luisteren, geven van feedback op de werkrelatie, bieden van emotionele steun, informeren.
- Verantwoordelijkheid bij het gezin: De gezinsleden krijgen een centrale rol in het bepalen van de doelen die betrekking hebben op de opvoeding. De gezinsleden houden de regie. Ze werken zélf aan de situatie die ze wensen: zij bepalen aan welke doelen wordt gewerkt en zij zijn de bron van de oplossingen. Er is een open dialoog en een gedeelde verantwoordelijkheid over het hulpproces. De begeleider stelt zijn kennis, ervaring en inzichten ten dienste van de zoektocht van de gezinsleden.
- Belang van de werkrelatie: We stemmen per thema ons hulpverleningsaanbod af op het proces van de gezinsleden. Binnen ‘Gezin centraal’ wordt uitgegaan van 4 verschillende werkrelaties in het omgaan met een probleem. Vanuit een inschatting van de werkrelatie kiest de begeleider de interventies. Een kort overzicht:
-Een vrijblijvende werkrelatie: het gezin heeft nog geen hulpvraag. De begeleider schept een context waarin een vraag geformuleerd kan worden. Dit doet de begeleider door: in te voegen, een werkrelatie op te bouwen, de context te verhelderen, te zoeken naar krachten van het gezin en aanklampend te werken.
-Een zoekende werkrelatie: het gezin heeft een hulpvraag. Deze is nog niet werkbaar. De begeleider bevordert het formuleren van werkbare doelen. Dit doet de begeleider door: het versterken van het zoekgedrag van de cliënt, toekomstprojecties uit te proberen, uitzonderingen te exploreren, registratie-opdrachten, een competentie- en netwerkanalyse.
-Een consulterende werkrelatie: de gezinsleden kunnen hun eigen bijdrage formuleren in het stellen van concrete doelen en werkpunten als stappen naar het einddoel. De begeleider werkt samen met het gezin aan doelen en werkpunten, aan het versterken van het vermogen van het gezin om zelf oplossingen te vinden en daarbij bronnen te benutten.
-Een co-expert werkrelatie: het gezin past bewust oplossingsgerichte strategieën toe en is in staat eigen sterke punten en steun uit de omgeving te benutten. De begeleider applaudisseert en rondt af.
(vrij naar: Arjan Bolt, 2006, p.21-38; p.110-127 en opleidingsnota’s)
Begeleidingsmethodieken
Hieronder geven we een overzicht van acties en begeleidingsmethodieken van thuisbegeleiding. Deze opsomming geeft een beeld van veelvuldig gebruikte methodieken, waarvoor we expliciet kiezen. Methodieken worden op maat van het gezin gehanteerd en verder uitgebreid. We streven in deze opsomming geen volledigheid na.
- Begeleiding in het gezin: De begeleiding vindt (gewoonlijk) plaats aan huis en elk gezinslid wordt betrokken in de begeleiding.
- Keuze van de setting en methodiek: We voeren individuele gesprekken, gezins- en oudergesprekken. We doen spelmomenten met de kinderen en/of de ouders … De doelen, de gezinskenmerken (leeftijden, mogelijkheden,…) en de samenwerkingsrelatie bepalen de keuze van de setting en de werkmethodiek, soms ook de plaats.
- Breedsporige integrale ondersteuning: We ondersteunen het gezin op verschillende levensdomeinen in functie van de problematische opvoedingssituatie, waarbij we de ruime en relevante context in rekening brengen en waarbij we verbanden leggen.
- Actief handelen: We activeren, motiveren, staan model, oefenen vaardigheden,…
- Bemiddelen en overleggen: We treden herstellend en bemiddelend op binnen en buiten het gezin.
- Informeren en adviseren: We zoeken, bieden en verduidelijken informatie en advies als reactie op een specifieke vraag of als extra aanbod.
- Thuisbegeleiding is aanklampend indien nodig: We interveniëren blijvend en bij herhaling vanuit de maatschappelijke noodzaak om tot onderhandelde en aanvaarde hulpverlening te komen.
- Werken aan dieperliggende problematiek: We werken op lange termijn en op tempo van het gezin aan inzicht verwerven, aan onderliggende dynamiek en aan de problematiek van het individu en het gezinssysteem.
- Optimaliseren van het opvoedingsaanbod van de ouders: We bespreken in een open dialoog met de ouders op welke manier de ouders hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding in hun gezin vorm geven. We werken naar verandering en herstel van de pedagogische mogelijkheden van het gezin.
- Sociale perspectieven uitwisselen: We staan stil bij de waarden en normen van de gezinsleden, ook als deze verschillen van de maatschappelijk gangbare waarden en normen. We bespreken indien nodig en op een aan het gezin aangepaste en respectvolle wijze dit verschil. We verduidelijken en concretiseren de maatschappelijk gangbare waarden en normen over opvoeding, gezinsposities en communicatie. We bespreken de consequenties van keuzes die de gezinsleden maken.
- Positieve aanpak: We (h)erkennen de inzet van de gezinsleden. We hebben oog voor goed lopende levensdomeinen. We benoemen en versterken de positieve interacties alsook de krachten van het gezin en zijn netwerk. We stellen grenzen aan negatief gedrag en aan negatieve communicatie door alternatieven te bespreken.
- Netwerking: We exploreren samen met het gezin hun netwerk en we werken mee aan het samenwerken met en waar nodig verruimen van het netwerk van het gezin.
- Het gezin stimuleren tot het het bekomen en bestendigen van verandering: We stimuleren en moedigen aan tot het integreren van veranderingen in het gezinssysteem.
- Het aanleren van vaardigheden: Via aan het gezin aangepaste methodieken en materialen leren we communicatieve, emotionele, sociale, pedagogische en huishoudelijke vaardigheiden aan en oefenen we ze in. M.a.w. er worden op een flexibele wijze trainingsmomenten ingebracht in functie van de noden van de gezinsleden.
De keuze van de methodieken in de gezinnen, op verschillende momenten, naar aanleiding van verschillende doelen, hangt erg nauw samen met de werkrelatie die de begeleider met het gezinslid heeft rond het betreffende thema. (zie p. 3).
Afhankelijk van de werkrelatie, het tempo en (de mogelijkheden van) de gezinsleden kunnen wij de hierboven beschreven methodieken in minder of meerdere mate toepassen. De begeleider probeert steeds te werken vanuit een positieve invalshoek, toekomstgericht en vertrekkend vanuit de krachten van de gezinsleden. Het team steunt de begeleider in het consequent vertrekken vanuit deze houding.
Hoe kijken wij naar opvoeding ?
Karakteristiek voor thuisbegeleiding binnen de Bijzondere Jeugdbijstand is dat een begeleidingsproces wordt opgezet dat gericht is op een verbetering van de opvoedingssituatie in het thuismilieu. Binnen het thema ‘opvoeding’, werken we vraaggericht. Het zijn de gezinsleden die de concrete doelen bepalen waarrond zij in de begeleiding met ons willen samenwerken. We vertrekken hierbij van de vragen van alle gezinsleden én hebben oog voor hun krachten.
Een pedagogisch kader ordent belangrijke aspecten van opvoeding. Voor de keuze van ons pedagogisch kader werd gezocht in de literatuur en geput uit onze ervaringen in het begeleiden van gezinnen. We kozen om te werken met “Hink-Stap-Sprong” (Jo Voets, Lieve Michielsen, en Sarah Hertens, 2005). Hierin worden basiselementen van ontwikkeling en pedagogische vaardigheden helder gebundeld. Dit kader is op een verstaanbare manier uitgewerkt naar ouders en is daardoor onmiddellijk bruikbaar in gezinnen.
Kinderen hebben op elke leeftijd steun, sturing en stimulans nodig. De goede verhouding tussen die drie hangt af van het kind (karakter, temperament, mogelijkheden), van de leeftijd van het kind en zijn ontwikkelingsniveau en van zijn/haar situatie.
- Steunen: Kinderen hebben zorg en positieve contacten nodig om te weten dat hun ouders hen graag zien. Zo krijgen ze vertrouwen in anderen en in zichzelf. Als ouders positief reageren op het positieve gedrag van hun kind, gaan kinderen meer positief gedrag stellen. Steunen is dus nodig. Steunen is zichtbaar in materiële zorg van de ouders voor de kinderen (voeding, onderdak, hygiëne, medische zorgen, kleding,… ) en in emotionele beschikbaarheid: streven naar een positieve manier van contact en omgaan met elkaar in het gezin, aandacht geven aan de kinderen, tijd met mekaar doorbrengen, gevoelens toelaten en er begrip voor tonen, ook moeilijke gevoelens (containen), troosten, aanmoedigen, complimentjes geven, omgaan met conflicten en herstellen na een conflict, …
- Sturen: Kinderen hebben grenzen nodig om te weten wat kan en niet kan. Het is aan de ouders om deze grenzen duidelijk te maken. Kinderen moeten leiding krijgen om te weten wat van hen verwacht wordt. Hierdoor worden kinderen zelfzekerder. Als ouders op een constructieve manier reageren op storend gedrag, gaan kinderen minder storend gedrag stellen. Sturen is dus nodig en is zichtbaar als ouders leiding geven, regels vastleggen, een vast dagritme bieden, duidelijk grenzen stellen, consequent zijn, aan kinderen laten weten wat mag en niet mag en wat van hen verwacht wordt, belonen en bijsturen waar dat zinvol is op een gepaste, positieve manier, in verhouding met het gedrag.
- Stimuleren: Kinderen die aangemoedigd worden in hun nieuwsgierigheid en leergierigheid en daar hulp bij krijgen, durven op verkenning gaan. Ze leren oplossingen te bedenken voor kleine probleempjes. Zo worden ze zelfstandig. Kinderen hebben stimulans nodig om kansen te hebben om van volwassenen en door experiment te leren. Stimuleren is dus nodig. Ouders stimuleren kinderen door hen aan te moedigen om nieuwe dingen uit te proberen, door te helpen om gevaar in te schatten, door te leren oplossingen bedenken voor kleine en grotere problemen, door activiteiten die passen bij de leeftijd van het kind.
Dit pedagogische kader biedt woorden en structuur aan de begeleider om met de gezinsleden te kunnen praten over opvoeding: over de ontwikkelingsnoden van de kinderen én over de pedagogische basisvaardigheden van de ouders.
Naast sturen, steunen en stimuleren willen we aandacht besteden aan de posities binnen het gezin.
In een balans van geven en ontvangen zoekt de familiecontext (intergenerationeel) naar evenwicht. De balans kan constructief of destructief zijn. Het geven en ontvangen van erkenning is daarbij een belangrijke sleutel. Begeleiders zijn zich voortdurend bewust van de loyaliteit die kinderen hebben ten opzichte van hun beide ouders. Zij houden rekening met (positieve, negatieve, verborgen) loyaliteiten, met loyaliteitsconflicten, parentificatie,… (vrij naar Arjan Bolt (2006), p.45-46)
De opvoedingssituatie in een gezin kan niet los gezien worden van de totale gezinssituatie. Problemen in het gezinsfunctioneren kunnen de opvoeding van de kinderen belemmeren. Positieve krachten bevorderen de opvoeding. We geven hierbij slechts enkele voorbeelden van aspecten van het gezinsfunctioneren waarvan wij duidelijk de link met de opvoedingssituatie ondervinden: de financiële situatie, de contacten met (professionele en andere) steunfiguren, de fysieke en mentale mogelijkheden van ouders en kinderen, …
In thuisbegeleiding hebben we oog voor deze verwevenheid van opvoedingsproblemen met andere problemen én voor het verband tussen algemene krachten en krachten als ouder of als kind. Op verschillende domeinen van het gezinsfunctioneren bevorderen we het aan de gang zijnde proces.
Begeleidingsverloop
Als een begeleiding kan opstarten, plant de begeleider met het gezin een kennismakingsgesprek. Tijdens dit kennismakingsgesprek geeft de begeleider het gezin informatie over ‘thuisbegeleiding door Amber’. Deze informatie vinden zij ook terug in de brochures van Amber die zij bij dat gesprek krijgen: voor ouders, voor jongeren en voor kinderen. Door vóór de intake de werking uit te leggen kunnen gezinsleden tijdens de intake makkelijker hun verwachtingen formuleren. De datum van het kennismakingsgesprek is doorgaans de startdatum van de begeleiding.
De eerste zes weken vormen de intakefase, waarin we de gezinsleden stimuleren om duidelijke doelen te formuleren. We helpen de gezinsleden om een werkbare hulpvraag te formuleren (zie p.3 over de samenwerkingsrelaties). We plannen een intakegesprek met het gezin, de consulent, de begeleider en de tweede persoon5 van Amber. In dit gesprek bespreken we de moeilijkheden, de doelen en de krachten van het gezin. Wij vragen de consulent om in het gezin zijn visie op de moeilijkheden, de doelen en de krachten te verwoorden. De consulent geeft de doelen van de begeleiding ook schriftelijke weer in het hulpverleningsprogramma. In de volgende gesprekken van de intakefase klaren we de doelen van het gezin verder uit en bespreken we waar de gezinsleden eerst aan willen werken (= werkdoelen).
Na de intakefase start de begeleidingsfase waarin we de gezinsleden stimuleren om te werken aan verandering in functie van de werkdoelen. We vertrekken daarbij van positief (of minder negatief) verlopende situaties en brengen de krachten van de gezinsleden en de hulpbronnen uit de omgeving in beeld. De gezinsleden proberen deze mogelijkheden in te zetten in de probleemsituatie. Daarvoor spreken we met de gezinsleden werkpunten af. We evalueren regelmatig of de werkpunten bijdragen aan een evolutie in het werkdoel.
Op basis van deze beschrijving lijkt het misschien alsof dit werken aan verandering lineair verloopt. Omdat we aansluiten bij het proces van de gezinsleden, is dit niet altijd zo. De begeleiding kent eerder een cyclisch verloop. Op basis van nieuwe evoluties in het gezin, evolutie in de samenwerkingsrelatie of door de evaluatie van de werkpunten worden nieuwe (tussen)doelen gesteld en andere werkpunten geformuleerd.
Minimum om de 6 maanden is er een evolutiebespreking. Daarin bespreken de gezinsleden met de begeleider en de tweede persoon aan welke werkdoelen zij werkten en hoe ze eraan werkten. We evalueren of de begeleiding aansluit bij de verwachting van de gezinsleden en bespreken de werkdoelen voor de komende begeleidingsperiode.
Eén van de thema’s is het al dan niet verder zetten van de begeleiding. In deze bespreking betrekken we de consulent. Een begeleiding kan om verschillende redenen niet langer nodig of niet langer zinvol zijn. Enkele voorbeelden:
- Omdat het gezin op één of verschillende domeinen een positieve evolutie heeft doorgemaakt en er wordt ingeschat dat het gezin zijn krachten en hulpbronnen voldoende kan benutten om zonder begeleiding verder te gaan.
- Omdat het gezin een positieve evolutie maakte tijdens de begeleiding en er wordt ingeschat dat het gezin op dit moment aan de grens van haar mogelijkheid tot verandering zit.
- Omdat er geen hulpvraag (meer) is bij de gezinsleden.
- Omdat er gericht wordt doorverwezen naar een andere, meer passende hulpverleningsvorm voor het gezin.
Als beslist wordt dat de begeleiding niet zal worden verlengd, komt de begeleiding in een afbouwfase. Extra aandacht kan uitgaan naar het zoeken van manieren om de veranderingen in het gezin te bestendigen. Er wordt met het gezin ook bekeken of er andere ondersteuning (binnen of buiten de hulpverlening) nodig zal zijn als de begeleiding gestopt is. De begeleider kan, rekening houdend met de noden van het gezin, informatie doorgeven over andere diensten, hulpverleners, vrijetijdsorganisaties,…
In de laatste periode plannen we een eindbespreking met de ouders en de consulent. In dit gesprek bespreken we het eindverslag.
Bij het afsluiten van de begeleiding, bieden we nazorg aan. De begeleider bespreekt met het gezin welke vorm deze nazorg krijgt. In elke situatie kan het gezin nog contact opnemen met de begeleider. In deze nazorgfase kan de begeleider het gezin telefonisch steunen. Er kan uitzonderlijk nog een afspraak worden gemaakt. Soms spreken we bij het stoppen van de begeleiding af dat de begeleider een paar maand later zelf contact opneemt om te horen hoe het loopt.
Open dialoog over het begeleidingsproces
Door de gezinsleden te betrekken in de verschillende stappen van het begeleidingsproces maken we gebruik van de eigen mogelijkheden van de gezinsleden. De participatie van de gezinsleden in onze begeleiding krijgt vorm in een open dialoog.
- De doelen van de gezinsleden vormen het vertrekpunt van het begeleidingsproces.
- Tijdens de wekelijkse huisbezoeken en tijdens de evolutiebesprekingen vragen we uitdrukkelijk naar voorstellen en bemerkingen van de gezinsleden bij het begeleidingsverloop.
- Waar het zinvol is voor het gezin, overleggen we en werken we samen met andere hulpverleners, mensen uit het netwerk van het gezin en scholen. Dit doen we zo veel als mogelijk samen met het gezin. Rechtstreekse communicatie met en door de gezinsleden is een belangrijk onderdeel van empowerment.
- Er is bijsturing van de werkdoelen in de begeleiding op basis van de gesprekken met de gezinsleden en de evolutiebesprekingen. Er is bijsturing van de methodieken op basis van de gesprekken met de gezinsleden en de evolutiebesprekingen, de begeleidingsbesprekingen in het team of besprekingen met de tweede persoon en/of de consulent, observaties in het gezin.
- Om de 6 maanden nodigen we de consulent uit op een evolutiebespreking met de ouders.
- We overlopen de verslagen telkens met de gezinsleden. We vinden het belangrijk dat de ouders zicht hebben op de informatie die Amber doorgeeft aan de verwijzer. Het deel dat over de jongeren uit het gezin gaat, bespreken we met die jongeren. De gezinsleden kunnen aanvullingen en bemerkingen geven bij het verslag. Deze nemen we op in het verslag. We sturen de verslagen schriftelijk door naar de verwijzer.
- Binnen de 6 weken na de startdatum is er een handelingsplan. Hierin noteren we de begeleidingsdoelen van het gezin en de consulent. Op basis van de doelen die de gezinsleden formuleren, noteren we de eerste werkdoelen. We beschrijven ook welke methodieken kunnen worden aangewend.
- Zesmaandelijks worden er evolutieverslagen gemaakt. In deze verslagen beschrijven we of en hoe er aan de afgesproken werkdoelen werd gewerkt en wat de werkdoelen zijn voor de volgende periode. Hierin staat indien nodig een aanpassing van het handelingsplan.
- Bij het stopzetten van een begeleiding maken we een eindverslag. De verschillende werkdoelen komen aan bod. We vatten samen op welke wijze het gezin aan de slag ging met hun doelen (proces), welke evolutie de gezinsleden maakten en wat de gezinsleden bereikt hebben in verband met hun hulpvraag. In het eindverslag besteden we ook aandacht aan de houding van het gezin, de consulent en Amber ten opzichte van het beëindigen van de begeleiding. Verder vermelden we op welke manier we nazorg bieden aan het gezin.
- Binnen de organisatie werkten we een klachtenprocedure en een tevredenheidsmeting uit, waardoor de gezinsleden hun mening over het verloop van de begeleiding kunnen doorgeven aan het beleid van Amber.
Grenzen van thuisbegeleiding
Voor een aantal begeleidingen stellen wij en/of de gezinsleden de zinvolheid of de haalbaarheid van thuisbegeleiding in vraag omdat we botsen op de grenzen van onze werkvorm. Een aantal van deze grenzen werden opgesomd bij de contra-indicaties van thuisbegeleiding. Bij de start van een begeleiding hebben we niet altijd duidelijk zicht op deze factoren en op de evolutie die hierin mogelijk is in het gezin.
- De noden van de gezinsleden (bijvoorbeeld van de kinderen) kunnen zo groot zijn dat het gezin met de ondersteuning van thuisbegeleiding onvoldoende kan tegemoet komen aan deze noden.
- Er is bij de ouders geen enkel engagement op te bouwen om het gesprek over de opvoeding aan te gaan. We proberen dit engagement uiteraard te stimuleren bij opgelegde hulpverlening.
- De veiligheid van de begeleider is in gevaar.
- De veiligheid en/of de basisbehoeften van (één van) de kinderen is in gevaar én het lukt niet om hierin een positieve evolutie op gang te brengen door mobiele ondersteuning.(6)
We streven ernaar om samen met het gezin en de consulent te bekijken hoe we hiermee omgaan. Als we van mening blijven verschillen, kan één van de partijen naar de Bemiddelingscommissie stappen (CBJ) of naar de Jeugdrechter (JRB). Daar kan beslist worden om de thuisbegeleiding te stoppen en eventueel te zoeken naar een andere, meer geschikte hulpverleningsvorm.
Bij signalen of dreiging van onveiligheid voor de kinderen en/of als niet tegemoetgekomen wordt aan (één van) de basisbehoeften van de kinderen, gaan wij het gesprek met de ouders en de consulent hierover aan. Niet altijd worden deze problemen onderkend door de ouders zelf. Daarom is het belangrijk dat de begeleider vanaf het begin van een begeleiding open en eerlijk is over het niet vrijblijvend zijn van een thuisbegeleiding. De veiligheid van kinderen heeft de hoogste prioriteit, in elke situatie. We stoppen vanuit Amber de thuisbegeleiding in situaties waarin er geen veiligheid is (voor de gezinsleden en/of de begeleider) én waarin het niet lukt om hierin een positieve evolutie op gang te brengen. We zoeken actief mee naar alternatieve mogelijkheden die de veiligheid kunnen vergroten. In ernstige situaties melden we de gevaarsituatie bij het Vertrouwenscentrum kindermishandeling of bij het parket.
(5) De tweede persoon volgt de begeleiding vanop een afstand
(6) In een aantal gezinnen waar we thuisbegeleiding doen, is er fysieke en/of emotionele onveiligheid of zijn de basisbehoeften van (één van) de kinderen ernstig in gevaar. Veiligheid (fysieke en emotionele) is voor elk kind een basisrecht. Dit basisrecht is nadrukkelijk vastgelegd in de Belgische wetgeving en in het Internationaal Verdrag Rechten van het Kind.
Referentielijst
Nijs, K. (2004) Empowerment als leidend beginsel. In L. Vandemeulebroecke & A. De Munter (Red.), Opvoedingsondersteuning. Visie en Kwaliteit. Studia Paedagogica 39 (pp. 43-61). Leuven: Universitaire Pers Leuven.
Arjan Bolt (2006) Het gezin centraal. Handboek voor ambulante hulpverleners. Amsterdam, Uitgeverij SWP, 2006, p.383. (27-30)
Hink-stap-sprong. Jo Voets, Lieve Michielsen, en Sarah Hertens. Garant. 2002.