Pedagogisch profiel

BZW > Pedagogisch profiel

Omschrijving van de doelgroep van de voorziening begeleid zelfstandig wonen

Begeleid zelfstandig wonen richt zich tot jongeren tussen 17 en 21 jaar die alleen (willen) gaan wonen en hierbij ondersteuning nodig hebben. De jongeren starten de begeleiding ten vroegste op hun 17de verjaardag en kunnen deze na hun meerjarigheid verlengen tot ze (maximum) 21 jaar zijn. De doorverwijzing gebeurt momenteel door het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg of door de Jeugdrechtbank. In het kader van de integrale jeugdhulpverlening zullen de jongeren in de toekomst via de toegangspoort verwezen worden. De aangemelde jongeren bevinden zich in een POS of MOF situatie. We zien vaak dat jongeren die BZW aanvragen weinig of niet kunnen terugvallen op een stevig sociaal netwerk en hierdoor voortijdig op eigen benen moeten staan.

We begeleiden ook niet-begeleide buitenlandse minderjarigen (NBBM), jongeren die zwanger zijn en jongeren die een kindje hebben.

Kernopdracht/doelstellingen BZW

Begeleid zelfstandig wonen is, zoals in de modulering werd beschreven: “een mobiele, integrale begeleiding, behandeling en training voor jongeren in een problematische opvoedingssituatie of die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en die nu zelfstandig (willen) wonen, en mobiele begeleiding voor hun gezin.”

De begeleiding vindt plaats in de woon- en leefwereld van de jongere. De centrale doelstelling van BZW is het zelfstandig functioneren van de jongere te stimuleren en te verhogen, zowel praktisch-administratief-financieel (huisvesting, huishouden, budgetbeheer) als sociaal-maatschappelijk (vrije tijd, tewerkstelling, schoolopvolging, dagbesteding) en psychologisch-relationeel (persoonlijke relaties, emotioneel welzijn, sociale vaardigheden, gezondheid…) Daartoe werkt de begeleider integraal en procesbevorderend. Met integraal bedoelen we dat alle levensdomeinen van de jongere in de begeleiding aan bod kunnen komen (zie verder: begeleidingsdomeinen). Daarnaast wordt er vertrokken vanuit het proces dat de jongere op dat moment gaat en sluit de begeleider daarbij aan. Hij respecteert hierbij het tempo van de jongere en de manier waarop de jongere wil leven. Participatie van de jongere, het verhogen van zijn autonomie, het (leren) nemen van verantwoordelijkheid, zelfreflectie en het (leren) maken van eigen keuzes staan hierbij centraal.

In de begeleiding kijken we ook naar de ruimere context zoals het gezin van herkomst, de persoonlijke geschiedenis van de jongere en ook de maatschappelijke context.

Wetenschappelijke kaders en methodieken

De teams zijn multidisciplinair samengesteld (zie personeelsinformatie). De verschillende scholingen en opleidingen gecombineerd met de rijke ervaringen van de begeleiders geven boeiende wisselwerkingen en resulteren in een eigen manier van werken op Amber. Binnen de voorziening is er een ‘eigen’ visie, houding en methode gegroeid. Daarnaast werd er de voorbije jaren geïnvesteerd in het ontwikkelen van een specifiek, gemeenschappelijk denkkader. Alle teamleden van het team ‘begeleid zelfstandig wonen’ volgden in 2006 gezamenlijk de basisopleiding ‘contextuele hulpverlening’. Om de contextuele benadering meer in de vingers te krijgen en ze ook tijdens de jongerenbesprekingen toe te passen, werd er nadien een externe supervisor gezocht. Deze begeleidde gedurende een tweetal jaren op regelmatige basis de jongerenbesprekingen van het BZW-team.

De werking wordt vooral gedragen door de competentie van de begeleiders. Naast de gemeenschappelijke vorming wordt er ook per individu op maat geïnvesteerd en is er een klimaat van professionele groei, ontplooiing, vorming en bijscholing.

De begeleiding is ingebed in de interpersoonlijke context, de relatie tussen jongere en begeleider. De aanwezigheid van de begeleider is niet neutraal. Hij heeft invloed op de jongere. Deze invloed kan, verdiepend, stimulerend, helend… maar ook remmend of verstorend zijn. Een werkbare relatie tussen de jongere en zijn begeleider is essentieel.

Hieronder gaan we achtereenvolgens dieper in op de contextuele invalshoek (2.4.1), de grondhoudingen van het begeleidingswerk (2.4.2) en de gebruikte methodieken (2.4.3).

Contextuele benadering

De contextuele benadering in BZW

De contextuele benadering van Ivan Boszormenyi-Nagy is voor het BZW-team de voornaamste gemeenschappelijke bron van inspiratie voor de begeleiding van jongeren. Ook al zal in tijdsbesteding de meeste aandacht naar de jongere individueel gaan, iedereen wordt ook gezien in verbinding met betekenisvolle relaties over verschillende generaties. Iedere jongere maakt deel uit van een familiaal netwerk van verhoudingen. Deze menselijke relaties worden onderscheiden in vier dimensies:

1. De feiten

Om het levensverhaal van de jongere te begrijpen, is het belangrijk na te gaan welke feiten zijn leven beïnvloed hebben: geslacht, origine, uithuisplaatsing, hulpverlening, adoptie of plaatsing in pleeggezin, handicap, scheiding van ouders, ziekte van de jongere en/of ouders, overlijden van belangrijke personen, veranderingen van school, werkloosheid, sociaal-economische klasse, emigratie, enz…

Deze feiten worden ook verkend in de vorige generaties omdat het leven van de ouders ook gevolgen kan hebben voor de kinderen. Bij het registreren van feiten wordt ook concrete info verzameld in functie van het zelfstandig wonen: welke administratie moet in orde gebracht worden, hoe zit het met financies, welke vaardigheden heeft de jongere ontwikkeld en welke niet?

2. De psychologie

In de tweede dimensie wordt verkend hoe de jongeren deze feiten hebben verwerkt. Waren er gevolgen op de persoonlijkheidsontwikkeling? Hoe beleven ze bepaalde gebeurtenissen? Wat is de invloed op hun zelfbeeld en zelfvertrouwen? Welke zijn hun waarden en normen? Wat maakt hen bang-kwaad-blij-verdrietig-enthousiast? Welke zijn typische gedragingen en overlevingsstrategieën?

3. De interacties

De derde dimensie van waaruit het verhaal van de jongere wordt bekeken, zijn de interacties en communicatiepatronen. Hiervoor wordt vooral teruggegrepen naar de systeem- en communicatietheorie. We gaan na hoe de jongere zich verbaal en non-verbaal uitdrukt, welke wederzijdse beïnvloedingen er zijn in het netwerk van de jongere, of er sprake is van coalities, hoe de jongere met hiërarchie en gezag omspringt, hoe er gereageerd wordt op frustraties, enz…

4. De relationele ethiek

Bij de informatie die bekomen wordt in voorgaande dimensies wordt overstijgend nagegaan in welke mate familiale verhoudingen rechtvaardig waren. Is er een evenwicht in wat de jongere in relaties heeft geïnvesteerd en wat hij van anderen heeft ontvangen? Hoe probeerde de jongere een goede zoon/dochter te zijn en werd daar erkenning voor gegeven? Zijn er bepaalde feiten die onrecht deden aan de jongere en werd dat gezien? Was er gepaste zorg die de jongere als kind nodig had? Zijn er betrouwbare relaties opgebouwd en/of werd vertrouwen geschonden? Is er sprake van parentificatie? Kon de jongere zijn loyaliteiten hanteren of zijn er loyaliteitsconflicten?Kunnen we bepaald negatief gedrag van de jongere beter begrijpen vanuit een destructieve gerechtigdheid?

De contextuele benadering is niet alleen onze houvast om het leven en functioneren van jongeren allesomvattend in beeld te brengen. Het vormt ook de basis voor onze hulpverlening aan jongeren. In iedere begeleiding hebben we oog voor:

  1. Het geven van erkenning voor onrecht en verdiensten: zien welk onrecht de jongere meemaakte, zien waardoor hij werd gekwetst en werd tekort gedaan maar ook ‘zijn geven’ aan anderen.
  2. Meerzijdige partijdigheid: de begeleiding stelt zich beurtelings en achtereenvolgens aan de kant van alle betrokkenen, ook bvb de niet-aanwezige ouder, en probeert begrip op te brengen voor degene die onrecht deed.
  3. Zoeken van hulpbronnen in de context: we gaan met de jongere op zoek naar bronnen van vertrouwen en betrouwbaarheid, we gaan actief na in welke geschonden relaties men wil investeren om een begin van herstel te bekomen. Het spreekt voor zich dat hierbij in de eerste plaats aan herstel van contact en dialoog met de ouders wordt gedacht. Ondanks verwaarlozing of verlating proberen we in de begeleiding van jongeren verbindend te werken met hun ouders.

Concrete werking met de context

Contextuele hulpverlening houdt rekening met de dynamische verbondenheid van de jongere met zijn belangrijkste relaties. Binnen deze context onderscheiden we hieronder drie verschillende aspecten. In het eerste gedeelte hebben we het over de concrete werking met de ouders, pleegouders of andere nauwbetrokkenen. Daarnaast nemen ook andere steunfiguren een belangrijke plaats in. Zij maken deel uit van het ‘sociale netwerk’ van de jongere. Dit thema wordt in het tweede gedeelte toegelicht. Tenslotte willen we de context verruimen naar de ‘maatschappelijke context’. In dit gedeelte bekijken we vooral het binnenbrengen van maatschappelijke waarden en normen (van de begeleider naar de jongere) en omgekeerd: de sensibilisering van de maatschappij (signaalfunctie van de begeleider naar de maatschappij en naar het beleid).

  • werken met (één van) de ouders, pleegouders of andere nauwbetrokkenen

Bij de start van de begeleiding wordt contact opgenomen met de (pleeg)ouder(s). We bekijken op welke manier zij betrokken kunnen worden in de begeleiding en welke rol ze (kunnen) hebben in het begeleidingsproces. Dit alles gebeurt steeds in functie van de noden van de jongere en rekening houdend met de situatie (het zelfstandig wonen) en de leeftijdsfase waarin de jongere zich bevindt. Sommige ouders, pleegouders of andere nauwbetrokkenen zijn aanwezig bij het intakegesprek. Als dit niet het geval is, wordt er bij het begin van de begeleiding een brief naar hen gestuurd. Met deze brief brengen we hen op de hoogte van de begeleiding. We nodigen hen tevens uit op de dienst zodat ze kunnen kennismaken met de werking van BZW en eventuele vragen, opmerkingen, verwachtingen of bedenkingen kunnen doorgeven. Nadien wordt er gezocht welke rol de ouders verder in het begeleidingsproces kunnen spelen en op welke manier ze betrokken worden. Soms is het uitnodigen van de ouders een mogelijk breekpunt voor de begeleiding of is het niet wenselijk hen uit te nodigen. Daarom wordt er per jongere (en met de jongere) besproken welke brief er wordt verstuurd:

  • Een bericht van plaatsing en een uitnodiging tot gesprek (Er wordt een gesprek voorgesteld)
  • Een bericht van plaatsing en een uitnodiging tot contactname (verwittigen dat BZW start en mogelijkheid bieden om meer info te bekomen)

De ouders worden tevens op de hoogte gebracht van administratieve veranderingen zoals wijziging van kinderbijslag.

Het gebeurt dat er om welke reden dan ook geen rechtstreeks contact mogelijk is met de ouders. Dit betekent niet dat de ouders in de begeleiding geen enkele rol spelen. De begeleider zal in zijn begeleiding rekening houden met de loyaliteiten van de jongere (zowel horizontale als verticale). In zijn individuele benadering zal hij werken vanuit een ‘meerzijdige partijdigheid’. Wanneer hij de jongere apart ziet, blijft hij oog hebben voor mensen die niet aanwezig zijn maar die wel een belangrijke rol spelen of die door de begeleiding beïnvloed worden.

  • Het sociaal netwerk

Wanneer mensen geconfronteerd worden met een probleem kunnen zij vaak beroep doen op een veerkrachtig netwerk dat dit probleem mee kan helpen oplossen. Problemen ontstaan dikwijls pas wanneer zo’n sociaal netwerk tekortschiet of ontbreekt. Ook voor onze jongeren is dit zo. Als zij kunnen terugvallen op een goed functionerend netwerk zal dit een positieve invloed hebben op verschillende levensgebieden.

Binnen de begeleiding wordt er gewerkt met belangrijke verbindingen van jongeren. Relaties worden geactiveerd en gestimuleerd, er vindt functioneel overleg met relevante derden plaats (school, ouders,…), er wordt actief gewerkt naar (her)opbouw en onderhouden van het ruimere sociale netwerk. De jongere kan op diverse manieren zijn netwerk veranderen: oude relaties nieuw leven inblazen (activeren), bestaande contacten intensiveren, contacten die misgelopen zijn eventueel deblokkeren, bestaande contacten die niet bevredigend zijn veranderen (reanimeren) en contacten die goed lopen ‘onderhouden’.

  • Maatschappelijke context

Tenslotte is er ook nog de ruimere maatschappelijke context. Om het samen-leven mogelijk te maken zijn er een aantal gemeenschappelijke regels en afspraken die ieder van ons dient na te leven. Voor een aantal van onze jongeren is dit niet zo vanzelfsprekend. Eén van de opdrachten van de begeleider is om ook op dit vlak begeleiding te bieden en mee de maatschappelijke waarden en normen binnen te brengen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren: de begeleider geeft informatie over verwachtingen en regels die gelden, hij confronteert jongeren op een adequate en respectvolle manier met maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag, hij zoekt met de jongeren hoe ze aansluiting kunnen vinden in de maatschappij, hij confronteert jongeren met consequenties van hun gedrag, hij treedt op als rolmodel enz. De begeleider treedt dus enerzijds op als vertegenwoordiger van de waarden en normen/regels in onze samenleving. Toch wordt niet elke maatschappelijke boodschap zomaar overgenomen. Sommige waarden en normen zijn specifiek voor bepaalde groepen in de maatschappij. Niet elke waarde is zinvol of toegespitst op/aangepast aan de jongere. Daarom heeft de begeleider ook een taak naar de maatschappij toe. Hij is een vertegenwoordiger van de jongeren naar het beleid. Hij heeft een signaalfunctie. Deze kan concreet vorm krijgen door de manier waarop de dienst participeert in beleidsorganen en in de samenwerkingsverbanden.

Grondhoudingen

De begeleider gelooft in de groeimogelijkheden van de jongere en aanvaardt de jongere zoals hij is

De begeleider gelooft in de (groei)mogelijkheden van de jongere. Hij heeft vertrouwen in zijn proces. Dit gaat uit van de overtuiging en het geloof dat iedereen en elk systeem kan groeien, ook binnen beperkte mogelijkheden en binnen ieders eigen geschiedenis.

De begeleider vertrekt vanuit de krachten en de mogelijkheden van de jongere en zijn omgeving. Hij probeert deze krachten aan te spreken en te verhogen (empowerment). Op die manier is verandering mogelijk, kan het vertrouwen in zichzelf groeien en verhoogt de zelfstandigheid.

Niet het eindresultaat op zich maar het groeiproces is belangrijk. Voor sommige jongeren betekent dit dat er een minimale vooruitgang geboekt wordt of dat een terugval zoveel mogelijk voorkomen wordt. Het is eigen aan adolescenten en jongvolwassenen dat dit alles met vallen en opstaan gebeurt.

De begeleider gelooft niet alleen in de mogelijkheden van de jongeren maar aanvaardt hem ook zoals hij is. Hij vertrekt vanuit de jongere zoals hij hier en nu is en niet vanuit hoe hij op dit moment ‘zou moeten zijn’. Dit betekent dat hij rekening houdt met ‘belemmeringen’ die er bij de jongere zijn, met problemen en beperkingen die hij in zich meedraagt en die zijn functioneren beïnvloeden.

De jongere aanvaarden zoals hij is betekent echter niet dat elk gedrag moet geaccepteerd worden. Het is belangrijk dat de begeleider een onderscheid maakt tussen het gedrag en de beleving van de jongere; tussen werkelijk doen en gevoelens, gedachten, fantasieën en wensen.

De aanvaarding heeft betrekking op de beleving van de jongere. De begeleider kan begrijpen van waaruit de gedragingen komen maar dient ze toch te begrenzen.

Echtheid; authenticiteit

De begeleider is zijn eigen werkinstrument. De begeleider is authentiek aanwezig. Zijn gedrag en zijn uitingen zijn in overeenstemming met wat hij innerlijk denkt en voelt. Dit houdt in dat hij congruent is. Hij is goed in contact met zichzelf en hij is transparant: hij drukt uit wat er in hem leeft in de mate dat dit bevorderend is voor het proces van de jongere.

Het betekent niet dat de begeleider enkel de zogenaamde ‘positieve’ gevoelens uit. Ook het tonen van ‘negatieve’ gevoelens kan immers een krachtig effect hebben. Bijvoorbeeld: een jongere stelt bepaald gedrag waardoor de begeleider kwaad wordt. De begeleider is echt/authentiek en laat die kwaadheid die wordt opgeroepen op een gepaste manier ook zien aan de jongere. Hierdoor kan het bvb. voor de jongere duidelijk worden dat hij met zijn gedrag bepaalde emoties oproept, hij kan misschien ditzelfde patroon herkennen in zijn contacten met anderen enz.

Om professioneel te werken is het belangrijk dat de begeleider bij zichzelf bekijkt of zijn gevoelens inderdaad opgeroepen worden door dit gedrag en of ze in verhouding staan met wat er gebeurd is. Hij checkt hier of hij bijvoorbeeld niet extra kwaad is omdat hij net zelf een moeilijke dag heeft gehad. Daartoe dient de begeleider open te staan voor wat er bij hemzelf gebeurt en zicht te hebben op zijn eigen functioneren, zijn eigen waarden en normen. Een goed teamfunctioneren, jongerenbesprekingen en supervisie en intervisie dragen bij tot het stimuleren van het reflectievermogen van de begeleider.

De professionele relatie is open en betrokken. Het is echter een begrensde betrokkenheid: de begeleider geeft eigen en maatschappelijke (cfr. infra) grenzen aan en is op die manier tevens een rolmodel voor de jongere. Het onderkennen van eigen grenzen is binnen onze hulpverlening niet zo evident. Sinds enkele jaren wordt er extra aandacht besteed aan het bewust worden/zijn van eigen waarden en normen, de eigen mogelijkheden en grenzen en de grenzen van de werkvorm. Dit gebeurt zowel via een permanente alertheid voor dit thema binnen het team alsook via gerichte acties vanuit de werkgroep zorgen. Deze laatste houdt zich specifiek bezig met de thema’s stresspreventie, secundaire traumatisering, teamsplitting en burnout.

Empathie

De begeleider heeft zijn eigen referentiekader, zijn eigen manier van in het leven staan en kijken naar de realiteit. Deze kijk wordt mee bepaald door zijn voorgeschiedenis, zijn eigen waarden en normen, de ervaringen en belevingen die hij heeft of gehad heeft. Empathisch werken betekent het eigen kader loslaten en meekijken vanuit het referentiekader van de jongere. De begeleider probeert zich in te leven in hoe het voor de jongere is, welke zijn belevingswereld is. Hij vertrekt vanuit deze empathie om de jongere te begrijpen en om de hulpverlening richting te geven. Hij stemt zich af op de jongere.

De begeleider leeft zich niet alleen in, maar probeert zijn aanvoelen ook woorden te geven. Dit kan bij de jongere verschillende effecten hebben, gaande van zich gesteund en begrepen voelen tot verdiepende effecten, tot meer voeling krijgen met wat in hem/haar leeft.

Het eigen referentiekader loslaten is niet altijd even gemakkelijk. Zich inleven in de belevingswereld van iemand anders, kijken naar andere waarden en normen roept soms protest op of kan gevoelens van onmacht en uitzichtloosheid oproepen bij de begeleider. Het inhoudelijk bespreken hiervan en het bewaken van de eigen grenzen kan aan bod komen in de team- en jongerenbesprekingen of in het overleg met collega’s, met de tweede persoon of met de inhoudelijk verantwoordelijke.

emancipatorisch

De begeleiding is emancipatorisch. Ze is er op gericht het zelfstandig wonen van de jongere in de maatschappij mogelijk te maken. In de begeleiding hebben we specifiek aandacht voor de eigen krachten en mogelijkheden van de jongeren en hun omgeving. Er wordt steeds bekeken welke aspecten van het zelfstandig wonen de jongeren zelf of mits beperkte ondersteuning kunnen opnemen. Daarnaast wordt bekeken welke domeinen een intensere ondersteuning nodig hebben en op welke manier die geboden kan worden. We streven ernaar de zelfredzaamheid van de jongeren te bevorderen zodat zij op eigen kracht of mits ondersteuning verder kunnen.

Het emancipatorisch werken start reeds van bij de intake. Op dat moment wordt, rekening houdend met de mogelijkheden van de jongere, het hulpverleningsaanbod geformuleerd en wordt hem gevraagd mee te denken over de doelen en de wijze van begeleiden. Dit wordt naderhand verder geconcretiseerd met de jongere.

De begeleider gaat niets in de plaats van de jongere doen maar stimuleert hem om zoveel mogelijk zelf zijn problemen aan te pakken. Hij begeleidt hem in zijn keuzeprocessen. Hij helpt hem om de nodige informatie te vinden, stimuleert hem in zijn denken, zijn voelen, probeert vastgelopen processen terug op gang te krijgen maar laat de verantwoordelijkheid bij de jongere. Op die manier vergroot het probleemoplossend vermogen van de jongere en wordt de zelfredzaamheid zoveel mogelijk bevorderd.

De manier waarop het emancipatorisch werken concreet vorm krijgt, verschilt per jongere maar kan ook in de loop van de begeleiding veranderen. De hulpvraag van de jongere wordt hierbij continu verkend (continue vraagverheldering).

We vinden het belangrijk dat jongeren zicht krijgen op alle informatie die vanuit Amber doorgegeven wordt aan anderen. De verslagen worden uitdrukkelijk met de jongere besproken. Daarnaast wordt de jongere expliciet bevraagd over hoe hij zelf kijkt naar zijn eigen functioneren en naar het verloop van de begeleiding. Dit wordt eveneens mee opgenomen in de verslaggeving.

Overzicht van de methodieken

Het is belangrijk dat de begeleider een klimaat schept waarin de vaardigheden van de jongere worden aangesproken. Mogelijkheden en vaardigheden zijn immers geen vaststaande gegevens, maar kunnen veranderen en zich ontwikkelen. Via aan de jongere aangepaste methodieken en creatief materiaal worden communicatieve, emotionele, sociale, pedagogische en huishoudelijke vaardigheden aangeleerd en geoefend. Het gaat hierbij niet om onafhankelijke trainingspakketten maar om het flexibel inbrengen van trainingsmomenten in functie van de noden van de jongere. Om in te grijpen in de omgeving van de jongere en ervoor te zorgen dat die nieuwe kansen biedt, dient de begeleider creatief te zijn. Hij kan immers kiezen uit een veelheid aan begeleidingsmethodieken, gaande van gesprekken tot samen met de jongere dingen doen. Voor deze methodieken baseren we ons op een aanbod vanuit verschillende theoretische invalshoeken. Deze mogelijkheden zijn verworven in de basisopleiding, specialisatie, vorming en bijscholing en worden via ervaring verder uitgediept en toegepast.

Hieronder geven we een overzicht van gebruikte methodieken (we streven hierbij geen volledigheid na) :

  • samen dingen doen
  • informatie geven
  • (empathisch) luisteren
  • opvolgen
  • ondersteunen
  • confronteren
  • reflecteren
  • spiegelen
  • bemiddelen
  • differentiëren
  • stimuleren
  • motiveren
  • werkbare relatie opbouwen
  • proces volgen en mee zoeken wat jongere wil
  • voorbeeldfunctie
  • leersituaties aanbieden
  • praten
  • handelen
  • containen
  • ruimte bieden
  • contextverbreding
  • binnenbrengen van maatschappelijke perspectieven, waarden en normen
  • humor
  • erkenning geven voor onrecht en verdiensten
  • meerzijdige partijdigheid
  • zoeken naar hulpbronnen
  • samen plannen
  • volgen/sturen, structureren
  • praktische hulp, tips, advies
  • doorverwijzen
  • coördineren van hulpverlening
  • erkenning bieden voor inzet
  • invloedsbesef verhogen
  • respecteren van tempo van jongere
  • observeren
  • problemen analyseren/verhelderen/ mee helpen oplossen

Pedagogisch kader

Om het begeleidingsproces werkbaar te maken proberen we het te ordenen aan de hand van dit ‘pedagogisch kader’. Dit kader biedt een overzicht van de elementen die wij essentiëel achten binnen een begeleiding, het betreft de rechtstreeks bij de begeleiding betrokken hulpverleners en de begeleidingsdomeinen die wij voorop stellen in onze begeleidingen. De opsplitsing in begeleidingsdomeinen helpt de begeleider en het team om in de begeleidingen te zorgen dat een aantal belangrijke aspecten van het alleen wonen niet uit het oog verloren worden. Deze opsplitsing in begeleidingsdomeinen is relatief en vervangbaar, maar is op dit moment een weerspiegeling van hetgeen wij belangrijk vinden in een begeleiding. Het zorgt bovendien voor eenvormigheid binnen verslaggevingen en evolutiebesprekingen waarbij de begeleidingsdomeinen als stramien gebruikt worden.

Rechtstreeks betrokken hulpverleners

Begeleider

De bzw-begeleiding is een individuele begeleiding. Elke jongere heeft een vaste begeleider. Hij is de spilfiguur in de aangeboden hulpverlening. In ons hulpverleningsproces is het belangrijk te werken met een vaste begeleider per jongere. Dankzij deze continuïteit weet de jongere bij wie hij terecht kan en kan een begeleidingsrelatie opgebouwd worden. De begeleider houdt de begeleidingslijn vast en heeft een totaaloverzicht van de situatie.

Het belang van een vaste begeleider voor derden bestaat erin dat hij voor hen het centraal aanspreekpunt is (voor ouders, consulenten, school- en opleidingsinstanties, hulpverleners…). Hij organiseert (meestal) de rondetafelgesprekken.

Tweede persoon

Naast de begeleider kan elke jongere ook beroep doen op zijn ‘2de persoon’.

Dit is een tweede begeleider die de begeleiding van op afstand opvolgt. Hij heeft op specifieke momenten contact met de jongere: bij de start (eerste gesprek met jongere/consulent), bij bespreking van verslaggeving (handelingsplan/ begeleidingsovereenkomst, evolutie- en eindverslagen), bij evolutiebesprekingen en bij contacten met derden. Daarnaast is deze persoon het eerste aanspreekpunt voor de jongere wanneer hij bij zijn begeleider niet terecht kan (vb. afwezigheid, klachten enz).

Ook op andere momenten kan het zinvol zijn beroep te doen op de tweede persoon voor deelname aan een begeleidingsgesprek wanneer dit in functie staat van het begeleidingsproces. De eindverantwoordelijkheid ligt echter bij de begeleider.

De 2de persoon volgt ook op meta-niveau de begeleiding mee op. Doordat hij niet in de begeleiding staat, houdt hij een ander zicht op de begeleiding en het begeleidingsproces en kan hij de begeleider op een specifieke manier mee ondersteunen (mee grenzen bewaken, begeleidingslijn vasthouden, reflecteren over begeleidingshoudingen edm). De tweede persoon is het eerste aanspreekpunt voor de begeleider, hij volgt ook de verslaggeving op of verwoordt indien nodig dienststandpunten.

Begeleidingsdomeinen

Het hulpverleningsaanbod van BZW is integraal. Alle domeinen die een invloed hebben op het zelfstandig wonen of die het functioneren van de jongere belemmeren, kunnen in de begeleiding aan bod komen: ofwel door dit domein zelf samen met de jongere op te nemen ofwel door samen te zoeken naar gespecialiseerde hulp. De domeinen zijn onderling verweven met elkaar. Het ene domein staat niet los van het andere. Bvb. Wanneer iemand een verslavingsprobleem heeft (cfr. domein vrije tijd-drugs), zal dit ook op andere domeinen een rol spelen. In de begeleiding worden de domeinen dan ook niet kunstmatig losgekoppeld van elkaar. Ook de functies begeleiding, training en behandeling worden niet als aparte pakketten aangeboden maar worden flexibel ingebracht in functie van de noden van de jongere.

De volgende domeinen kunnen worden onderscheiden:

Huisvesting

Bij de start van de begeleiding wordt er samen met de jongere gezocht naar een gepaste en betaalbare woonst. Het huurcontract wordt samen overlopen en indien wenselijk ondersteunen of bemiddelen we samen met de jongere bij de huisbaas. Allerlei vragen op het gebied van huisvesting kunnen aan bod komen: bvb. concreet: aanvraag van eerste huur en waarborg, manier van betalen; vragen i.v.m. rechten en plichten van de (ver)huurder enz. Ook praktische zaken, zoals de inrichting van de woonst, het zoeken naar huisraad, meubelen e.d.m. worden met de jongere opgenomen. Jongeren die BZW starten, kunnen bovendien een ‘startpakket’ ontvangen vanuit onze dienst. Dit pakket bevat een aantal basiszaken die jongeren nodig hebben bij het alleen gaan wonen, zoals kookgerief, onderhouds- en verzorgingsprodukten enz.

Daarnaast bekijken we met de jongere hoe het voor hem of haar is om daar te wonen. We streven stabiliteit in de woonsituatie na.

Financies

Op financieel vlak staat het verwerven en beheren van het inkomen centraal. Minderjarigen die over onvoldoende inkomsten beschikken, krijgen een verblijfssubsidie via BJB. Meerderjarigen zonder inkomen vragen een leefloon aan bij het O.C.M.W. In de begeleiding wordt samen met de jongere bekeken welke stappen de jongere hierbij kan zetten en op welke manier dit kan gebeuren. Ook bij jongeren met een inkomen wordt bekeken hoe de budgetbegeleiding vorm kan krijgen.

De jongere stelt samen met zijn/haar begeleider een budgetplan op. Dit is het vertrekpunt voor de budgetbegeleiding. Naargelang de noden en mogelijkheden van de jongere kan de inhoud bestaan uit:

  • het verdelen van het budget over de verschillende uitgavenposten en dit op een realistische manier.

  • Het leren plannen van uitgaven over een steeds langere periode (aanvankelijk 1 of 2 per week leefgeld nadien tweewekelijks…)

  • Het leren omgaan met de grenzen van het budget en de hierbij horende frustraties

Administratie

Een vaak terugkerende vraag bij jongeren is ‘hulp bij administratie’. We denken hierbij aan adreswijzigingen, het in orde brengen/houden van kinderbijslag, ziekenfonds, werkloosheids- of andere uitkeringen, specifieke administratie bij niet-begeleidde minderjarigen enz. De begeleiding op dit vlak gebeurt op verschillende manieren: informatie geven, hulp bieden bij het invullen van papieren, meegaan naar diverse diensten en instanties, de gesprekken met jongere voorbereiden, hem helpen zijn vragen op een rijtje te zetten, eventueel bemiddelen of als rolmodel of tolk optreden enz. Het doel is om de jongere een aantal vaardigheden aan te leren en hem/haar te stimuleren zoveel mogelijk zaken zelfstandig op te nemen.

Huishouden

Bij het alleen wonen is instaan voor het eigen huishouden een standaarddomein. Per jongere wordt bekeken welke vragen/noden hij/zij heeft op huishoudelijk vlak. We denken hierbij aan

gezondheid, voeding, huishoudelijke vaardigheden zoals wassen, koken, strijken, schoonmaken enz. Ook hier verschilt het aanbod van jongeren tot jongere. Sommige jongeren beschikken al over heel wat huishoudelijke vaardigheden (vb. omdat ze reeds TCK gevolgd hebben of omdat ze thuis huishoudelijke taken opnamen) terwijl anderen van nul beginnen.

Om voor het eigen huishouden in te staan, is het nodig dat de jongere over deze praktische vaardigheden beschikt. Toch is dit niet voldoende. Soms is het niet goed lopen of het verwaarlozen van het huishouden een gevolg van andere onderliggende problemen. Het welbevinden van de jongere weerspiegelt zich op huishoudelijk vlak. In dat geval is het huishouden een barometer en kan de begeleider deze als ingangspoort gebruiken om onderliggende problemen aan te kaarten.

Dagbesteding

Een zinvolle dagbesteding of het zoeken hiernaar is een belangrijk domein in de begeleiding.

- Bij schoolgaande jongeren kan de begeleiding zich richten op: de keuze van onderwijs, het bevorderen van een positieve relatie tussen jongere en school, overleg met leerkrachten, CLB-medewerkers, leertrajektbegeleiders; studiebegeleiding,… en zeker niet onbelangrijk het omgaan met spijbelen.

Waar het schoolse moeilijk loopt, zoeken we eventueel samen met andere organisaties die zich hierin specialiseren naar een oplossing. Indien zij een jongere opnemen in hun project, wordt dit vanuit de BZW begeleiding mee opgevolgd en is er regelmatig overleg met deze dienst.

Dit geldt ook voor jongeren in het deeltijds onderwijs.

- Begeleiding op vlak van werk betekent o.a.: het zoeken naar (en houden van) werk, het leren solliciteren, het werken rond arbeidsattitude enz.

Vrije tijd en sociale contacten

-Vrije tijd: Een mogelijke hulpvraag hierbij is de invulling van de vrije tijd en het tegengaan van verveling. Bvb. zoeken naar hobby’s. Daarnaast denken we bij vrije tijd ook aan het vermijden van en omgaan met de gevolgen van maatschappelijk probleemgedrag: drug- en alcoholgebruik, andere vormen van verslaving, vandalisme, agressie tegen personen, diefstal enz. maar ook de herstelgerichte afhandeling van delicten waarbij jongeren betrokken zijn.

De begeleider gaat in principe niets in de plaats van de jongere doen maar werkt ondersteunend, stimulerend, confronterend. De begeleidingdoelen worden afgestemd op zowel de noden, als op de mogelijkheden en het ontwikkelingstempo van de jongere. We vinden het echter essentieel dat de jongere de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven kan opnemen. Dit betekent ook dat de begeleider de jongere op een aantal zaken kan wijzen, maar dat hij hem niet kan behoeden voor de maatschappelijke gevolgen van zijn gedrag.

- Sociale contacten: Op het vlak van sociale contacten zijn de begeleidingsvragen heel uiteenlopend: Welke zijn de belangrijkste steunfiguren voor de jongere? Hoe ziet het sociaal netwerk eruit? Hoe is de band met de ouders? Welke betekenis hebben zij voor de jongere? Hoe verlopen de contacten met anderen? Waar loopt het moeilijk? Welke conflicten zijn er? Hoe kan je ermee omgaan enz.

Emotionele begeleiding

Binnen de emotionele begeleiding komen allerlei thema’s i.v.m. het emotioneel welbevinden van de jongere aan bod. Dit kan gaan over belevingen die betrekking hebben tot het heden, het verleden of de toekomst. Ook de zwaarte van de thema’s varieert enorm: van ervaringen rond dagdagelijkse gebeurtenissen tot de verwerking van zware problemen.

Thema’s die bij veel jongeren aan bod komen zijn

  • Aandacht voor positieve identiteitsaspecten;

  • verwerking van verleden;

  • moeilijke aspecten van het alleenwonen (eenzaamheid, verveling, angst);

  • leren omgaan met gevoelens van frustratie, kwaadheid, depressieve gevoelens enz;

  • omgaan met anderen (cfr. sociale contacten).

De begeleider ondersteunt de jongere hierbij in zijn proces en heeft respect voor de eigenheid en het tempo van de jongere. Hij laat de verantwoordelijkheid bij de jongere. Hij doet niets in zijn plaats, maar gaat samen met de jongere op weg en stemt zijn handelen af op wat de jongere nodig heeft.

De begeleider werkt samen met andere hulpverleners en verwijst de jongere door indien dit wenselijk is.

Concreet verloop van een begeleiding

Fasering

Aanmelding van een jongere

De aanmelding van jongeren gebeurt meestal door de consulent van het CBJ of de JRB. Wanneer een andere hulpverlener de jongere aanmeldt, wordt gevraagd dat de betrokken consulent een bevestiging geeft van de aanmelding. Bij de aanmelding wordt nagegaan of de noodzakelijke voorwaarden om een begeleiding te kunnen starten aanwezig zijn: is er een dossier bij CBJ of JRB, gaat de jongere binnen onze regio wonen (bestuurlijk arrondissement Leuven), is de jongere jonger dan 18 jaar, of is er voor een jongere van 18 jaar of ouder een dossier binnen Bijzondere Jeugdzorg dat intussen niet langer dan 6 maand is gesloten.

Uiteraard gaat het om jongeren van wie wordt ingeschat dat ze baat hebben bij deze vorm van hulpverlening binnen het geheel van hun problematiek en is er een akkoord van CBJ of JRB.

Bij elke aanmelding worden de basisgegevens genoteerd op een aanmeldingsformulier. Deze formulieren worden bewaard in een map. De aangemelde jongeren worden chronologisch genoteerd op de wachtlijst.

Opstarten van een begeleiding

Wanneer een plaats voor BZW gaat vrijkomen, wordt de wachtlijst in chronologische volgorde gecheckt. Er wordt bekeken of de aanvraag nog geldt. Aan de hand daarvan wordt bepaald welk dossier kan worden opgestart. Er wordt een eerste afspraak gemaakt met de jongere en de consulent (en eventueel andere betrokkenen) waarin hulpverleningsgeschiedenis en doelstellingen van de begeleiding worden besproken. Hieraan gaat vaak nog een kennismakingsgesprek aan vooraf. In het kennismakingsgesprek geven we informatie over de werking van begeleid zelfstandig wonen. De vragen, verwachtingen en bedenkingen van de jongere en het hulpaanbod van de dienst wordt besproken. Op die manier wordt het duidelijker of de vraag naar BZW aangewezen blijft. Voor sommige jongeren helpt deze informatie om een keuze te maken over de werkvorm die ze nodig hebben. Daarnaast merken wij ook dat het voor een aantal jongeren moeilijk is om tijdens een intakegesprek, waarbij zoveel verschillende mensen aanwezig zijn, hun mening naar voren te brengen. Een apart gesprek vooraf met de begeleider verlaagt de drempel. Het kennismakingsgesprek heeft meestal plaats op Amber.

In het intakegesprek exploreert de vaste begeleider samen met de jongere, de consulent en de tweede persoon (eventueel samen met nog andere betrokkenen) de hulpvraag van de jongere. Ook de opdracht van de verwijzer en de (hulpverlenings)geschiedenis van de jongere komen aan bod. Reeds vanaf de intakefase wordt aan de jongere gevraagd om mee te denken over de doelen en de wijze van begeleiden. Er wordt tevens bekeken of en op welke manier de ouders (of andere belangrijke steunfiguren) verder betrokken worden in de begeleiding.

Tijdens de eerste begeleidingsfase worden aan de jongere enkele papieren meegegeven:

  • De (vernieuwde) bzw-brochure
  • Informatie over ‘Wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer’
  • Informatie over de ‘Jolijn’
  • Informatie over de klachtenprocedure
  • Info over decreet rechtspositie minderjarige
  • budgetplan
  • Adres en telefoonnummer van Amber, namen en permanentie van begeleider en tweede persoon

De begeleiding is intensief. De frequentie en de duur van de begeleidingscontacten kunnen variëren, afhankelijk van de noden en de evolutie van de jongere, maar er is normalerwijze minstens één contact per week. In de opstartperiode is dit vaak iets frequenter o.w.v. allerlei praktische zaken die dienen opgenomen te worden.

Een begeleiding wordt goedgekeurd voor de periode tot de 18de verjaardag wanneer de jongere 17 jaar is en voor zes maanden (telkens te verlengen met zes maanden) vanaf de leeftijd van 18.

De begeleiding

M.b.t. de begeleiding zelf willen we het in dit stuk vooral hebben over de verdere fasering van de begeleiding en de verslaggeving. Hoe de begeleiding concreet wordt ingevuld (begeleidingsdomeinen) en welke begeleidingshoudingen en methodieken gebruikt worden en welke missie en doelstellingen vanuit de hele organisatie hierbij belangrijk zijn, werd reeds uitgelegd in voorgaande punten.

De eerste weken van de begeleiding worden gebruikt als kennismakingsperiode. Het opbouwen van een werkbare relatie staat centraal. De inhoud van de begeleiding wordt gezamenlijk bepaald en via de verschillende soorten verslaggeving weergegeven. De inhoud van het kennismakingsgesprek wordt kort weergegeven en bewaard in de map ‘eerste gesprekken’. Na de intake geeft de begeleider weer hoe het intakegesprek verlopen is, welke verwachtingen er vanuit de verschillende partijen (consulent,jongere, ouders of andere betrokkenen) naar voren zijn gekomen, welke indrukken en bedenkingen er zijn enz.

De neerslag hiervan wordt bewaard in het dossier en vormt de eerste aanzet voor het handelingsplan en de begeleidingsovereenkomst.

Zes weken na de startdatum maakt de begeleider een handelingsplan en een begeleidingsovereenkomst. In het handelingsplan worden de voorgeschiedenis van de jongere, de begeleidingsdoelstellingen en de begeleidingsmethodieken besproken. De verwachtingen en hulpvragen/noden van de jongere worden duidelijker tijdens de begeleidingscontacten. De consulent geeft zijn doelstellingen weer in het hulpverleningsprogramma. De verwachtingen van de ouders komen vooral naar voren in het intakegesprek of in een apart oudergesprek. Deze kunnen erg verschillen met die van de jongere.

Op basis van deze gesprekken en het hulpverleningsprogramma distilleert de begeleider, in overleg met de jongere, de doelstellingen voor de begeleiding.

In de begeleidingsovereenkomst wordt per domein concreet vorm en inhoud gegeven aan de begeleidingsdoelstellingen en methodieken (zie begeleidingsdomeinen).

Om de zes maanden na de startdatum wordt een evolutieverslag gemaakt, gekoppeld aan een evolutiebespreking met de jongere. De consulent van de jongere wordt eveneens uitgenodigd op de evolutiebespreking.

In het evolutieverslag wordt een beeld gegeven van het alleen wonen van de jongere, uitgaande van de verschillende domeinen waarop wordt gewerkt. Tevens worden de werkpunten belicht en bijgestuurd. De evolutie die de jongere op bepaalde vlakken heeft gemaakt, wordt geschetst. Ook de begeleidingsrelatie wordt geëvalueerd. Bijsturing van de begeleiding gebeurt echter niet alleen n.a.v. een evolutiebespreking. Het gebeurt permanent en op verschillende manieren: op basis van de begeleidingscontacten met de jongere en zijn omgeving (wekelijkse huisbezoeken of evaluatiemomenten), de jongerenbesprekingen op het team of na overleg met de tweede persoon, de inhoudelijk verantwoordelijke of de consulent.

De verslagen zijn een werkinstrument op zich. Het verloop van de begeleiding neerschrijven, zet de begeleider aan om meer stil te staan bij de begeleiding. Daarnaast gebruikt de begeleider de verslagen in zijn gesprekken met de jongere. Door ze te overlopen, wordt ieders kijk opnieuw benoemd en samengevat en vormt het soms nieuwe gespreksstof.

De verslagen worden opgestuurd naar de consulent maar worden ook vanuit emancipatorisch standpunt steeds op voorhand met de jongere besproken en doorgenomen. We vinden het belangrijk dat de jongere zicht blijft houden op de informatie die vanuit Amber wordt doorgegeven aan anderen.

Afbouwen van een begeleiding

In overleg met de jongere en de consulent kan worden beslist dat de begeleiding mag afgesloten worden.

De begeleiding is dan niet langer zinvol:

  • omdat de jongere op verschillende domeinen een positieve evolutie heeft

doorgemaakt en er wordt ingeschat dat de begeleiding overbodig wordt

  • omdat het engagement van de jongere té beperkt is om zinvol de begeleiding te

kunnen verderzetten.

  • Omdat een ander hulpverleningsaanbod meer aangewezen is
  • Omdat de grenzen van het bzw-aanbod bereikt zijn
  • Omdat de grenzen van de begeleider bereikt zijn (in dat geval wordt een

begeleiderswissel overwogen)

  • omdat de consulent geen verlenging van de begeleiding voorziet
  • .

In de afbouwfase wordt samen met de jongere bekeken welke ondersteuning in de toekomst nog nodig is en hoe dit gerealiseerd kan worden. In deze fase wordt het aantal contacten doorgaans ook afgebouwd.

Bij het aflopen van de begeleiding wordt een eindverslag gemaakt. Ook hier wordt per begeleidingsdomein bekeken hoe de begeleiding is verlopen. Daarnaast worden ook specifieke afspraken i.v.m. de beëindiging van de begeleiding weergegeven. De inhoud van het eindverslag wordt tijdens de laatste evolutiebespreking overlopen.

Bij het afsluiten van de begeleiding bekijkt de jongere met de begeleider of en welke ondersteuning er nog nodig is (binnen of buiten de hulpverlening). De begeleider kan, rekening houdend met de noden van de jongere en in overleg met de jongere, bekijken hoe en welke relevante informatie doorgeven wordt aan andere diensten, hulpverleners, vrijetijdsorganisaties,… Eventueel kan de begeleider samen met de jongere het eerste contact leggen.

Nazorg

Nadat de begeleiding is afgesloten, kan de jongere nog contact opnemen met de begeleider. Er kan dan uitzonderlijk nog een afspraak gemaakt worden. Soms gebeurt het ook dat een jongere spontaan terug contact opneemt om te laten horen hoe het met hem/haar gaat.

Dossier van een jongere

Alle gegevens met betrekking tot de jongere worden geklasseerd in een speciaal voor de jongere voorziene map. De dossiers verlaten de dienst niet. Buiten de werkuren moeten de dossiers achter slot worden bewaard.

In het dossier wordt verzameld:

    1. beschikking of plaatsingsattest
    2. hulpverleningsprogramma van de consulent
    3. intakeverslag
    4. overzichtsblad met gegevens van de jongere voor de inspectie
    5. activiteitenoverzicht
    6. handelingsplan/begeleidingsovereenkomst
    7. evolutieverslagen
    8. notities huisbezoeken/contacten met derden
    9. andere (bv financiële gegevens, info i.v.m. kinderbijslag, ziekenkas enz…)

Jongerenbespreking

Bedoeling van een jongerenbespreking is het zo ruim mogelijk in kaart brengen van alle achtergrondinformatie van de jongere die ons kan helpen om (het gedrag van) de jongere beter te begrijpen en hypothesen en doelstellingen te formuleren voor de begeleiding. We doen dit a.h.v. een vast stramien gebaseerd op de vier dimensies van het contextuele denken. Het familiale netwerk wordt weergegeven in een genogram met drie generaties, aangevuld met belangrijke elementen uit de context in een zgn. ‘ecogram’. Soms wordt ook gebruik gemaakt van ander materiaal zoals duplo-popjes. Belangrijke gebeurtenissen (dimensie 1) worden chronologisch in beeld gebracht op een levenslijn, indien relevant kan er ook een aparte chronologische lijn met het schools verleden worden gemaakt. Alle andere informatie wordt vervolgens uitgeschreven op drie flaps (de drie andere dimensies).

De begeleider bereidt voorgaande schriftelijk voor, eventueel met steun van de tweede persoon, en licht dit toe op de jongerenbespreking.

Het team bevraagt, legt verbanden, doet suggesties, stuurt bij, brengt nieuwe inzichten aan m.b.t. bepaalde thema ‘s en de eigen begeleidingshouding … en probeert zodoende de begeleiding te verdiepen en nieuwe impulsen te geven, én de begeleider te ondersteunen in zijn werk.

De begeleider kan natuurlijk ook eigen verwachtingen/doelstellingen omtrent de bespreking aangeven.

De volgorde van jongerenbesprekingen is chronologisch. We kiezen er niet voor om systematisch de jongere te kiezen waarmee de begeleider binnen de begeleiding de meeste moeilijkheden ondervindt. Het is evenzeer zinvol om ook het begeleidingsproces van een jongere bij wie de begeleiding goed loopt of lijkt te lopen, te belichten. Uitzonderlijk kan er wel gewisseld worden.

Samenwerking met derden

Elke jongere is ingebed in een context (relationeel, maatschappelijk). Binnen de begeleiding werken we dan ook niet geïsoleerd maar proberen we samen te werken met de verschillende partijen die betrokken zijn.

Voor elke jongere betekent dit doorgaans een samenwerking met :

  • Consulenten
  • ouders, andere familieleden, pleeggezinnen enz.
  • andere belangrijke steunfiguren

Afhankelijk van de begeleidingsdomeinen waarop we werken is er een samenwerking mogelijk met meerdere partners. Hieronder geven we een aantal veelvoorkomende samenwerkingspartners zonder de bedoeling volledig te zijn. De personen die hier vernoemd worden, zijn degenen waarmee (intensief) kan samengewerkt worden.

Op vlak van dagbesteding:

  • school: *leerlingbegeleiders, leerkrachten en directie;

* CLB-medewerkers

* leertrjajectbegeleiders

* vormingswerkers (cfr. deeltijds onderwijs)

* trajectbegeleiders

* begeleiders vanuit alternatieve dagbesteding (cfr. Koïenoor)

* netwerk leerrecht

* nieuwe projecten

  • werk: * begeleiders vanuit de dienst arbeidsbemiddeling

* VDAB en RVA

Op financieel vlak:

  • maatschappelijk werk(st)ers van O.C.M.W.
  • de bank

Op administratief vlak:

  • samenwerking met stedelijke diensten (vb. bevolkingsdienst voor inschrijving jongeren)
  • kinderbijslagfondsen
  • mutualiteiten

Op vlak van huisvesting:

  • huisvestingsmaatschappij
  • huurdersbond
  • individuele huisbazen

Op vlak van gezondheid:

  • betrokken artsen, verpleegkundigen
  • begeleiders rond alcohol- en druggebruik (begeleiders van MSOC (‘vb. ’t Veerhuis in Leuven), DGGZ…)

Op emotioneel vlak:

  • hulpverleners uit residentiële settings (vb. psychiatrie), ambulante settings (vb. DGGZ) of semi-ambulante settings (vb. dagtherapie)
  • hulpverleners die het gezin van herkomst begeleiden
  • privétherapeuten
  • begeleiders van alternatieve straffen
  • enz.