Basisvisie
BEO > Basisvisie
Als basisvisie voor deze methodiek, werken we vanuit een Nederlands hulpverleningsmodel, het ‘Gezin Centraal’(1). De belangrijkste basishoudingen van ‘Gezin Centraal’ zijn:
- Vraaggericht werken: De jonge ouders worden een sterke positie en een centrale rol toegekend. Zij behouden de regie over hun leven en over hun hulpproces. Daardoor vergroot de kans op succesvolle en effectieve hulpverlening. De hulpvraag van de gezinsleden (ook van de baby!) staat centraal.
- Gelijkwaardigheid gezinsleden en begeleider: De relatie tussen begeleider en jonge ouders kenmerkt zich door samenwerking en dialoog. Er is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de ervaringsdeskundigen (ouders) en de professionele deskundige (begeleider). De begeleider heeft een basishouding van onbevangenheid, openheid en vertrouwen in de mogelijkheden van de jonge ouders. De hulpverlening is gericht op het benadrukken en versterken van de competenties van de gezinsleden en op empowerment. (Arjan Bolt (2006) , p. 27 – 28)
- Gezinsgericht werken: We bekijken de gezinnen vanuit de systeembenadering en de contextuele benadering. Er is een loyaliteitsband tussen ouders en kinderen. Het probleem van één gezinslid kan niet los gezien worden van het gehele gezinssysteem. Er is aandacht voor het hele gezin. De hulp sluit aan bij de leefwereld van de gezinsleden. De hulp vindt plaats in de leefomgeving van het gezin. De hulpverlener benadert de gezinsleden op een systeemgerichte manier. De begeleider heeft een houding van meervoudige betrokkenheid. De hulp is gericht op het benadrukken en verbeteren van positieve, door de gezinsleden gewenste vormen van interactie. (Arjan Bolt (2006), p. 29 – 30)
- Oplossingsgericht werken: De focus van de trajectbegeleiding ligt op oplossingen en niet op problemen van de gezinsleden. Het vermogen van de gezinsleden om oplossingen te vinden wordt versterkt door met de gezinsleden hun krachten, kwaliteiten en vaardigheden te ontdekken, te benadrukken en te versterken. Doel is dat de jonge ouders zelf oplossingsgericht gaan denken. Dan kunnen ze anticiperen op de schommelingen in het leven door gebruik te maken van hun eigen krachten en de krachten van hun omgeving.
- ‘Niet weten’: De ervaringen, kwaliteiten, ideeën en doelstellingen van de jonge ouders zijn een belangrijk vertrekpunt in de begeleiding. Als begeleider zijn we ons ervan bewust dat zij een ander perspectief hebben op de werkelijkheid. Wij proberen op een authentieke manier nieuwsgierig te zijn naar de manier waarop zij naar de werkelijkheid kijken; we tonen belangstelling in de gezinsleden en hun beleving. We helpen de jonge ouders om hun verhaal te vertellen door hun ideeën en gedachten mee te structureren en te ordenen. Deze basishouding is zichtbaar in verschillende vaardigheden: invoegen, actief luisteren, geven van feedback op de werkrelatie, bieden van emotionele steun, informeren.
- Verantwoordelijkheid bij het gezin: De jonge ouders krijgen een centrale rol in het bepalen van de doelen die betrekking hebben op de opvoeding. Zelfs minderjarige ouders hebben (ook juridisch) de volledige verantwoordelijkheid voor beslissingen over hun kind, tenzij de veiligheid van hun kind in het gedrang is. De jonge ouders houden dan ook de regie. Ze werken zélf aan de situatie die ze voor zichzelf en voor hun kind wensen: zij bepalen aan welke doelen wordt gewerkt en zij zijn de bron van de oplossingen. Er is een open dialoog en een gedeelde verantwoordelijkheid over het hulpproces. De begeleider stelt zijn kennis, ervaring, zicht op ondersteuningsmogelijkheden en inzichten ten dienste van de zoektocht van de jonge ouders. De jonge ouders brengen op hun beurt mogelijkheden aan, die dan weer inspirerend kunnen zijn voor andere situaties.
- Belang van de werkrelatie: We stemmen per thema ons hulpverleningsaanbod af op het proces van de gezinsleden. Binnen ‘Gezin centraal’ wordt uitgegaan van 4 verschillende werkrelaties in het omgaan met een probleem. Vanuit een inschatting van de werkrelatie kiest de begeleider de interventies. Een kort overzicht:
-Een vrijblijvende werkrelatie: het gezin heeft nog geen hulpvraag. De begeleider schept een context waarin een vraag geformuleerd kan worden. Dit doet de begeleider door: in te voegen, een werkrelatie op te bouwen, de context te verhelderen, te zoeken naar krachten van het gezin en aanklampend te werken.
-Een zoekende werkrelatie: het gezin heeft een hulpvraag. Deze is nog niet werkbaar. De begeleider bevordert het formuleren van werkbare doelen. Dit doet de begeleider door: het versterken van het zoekgedrag van de cliënt, toekomstprojecties uit te proberen, uitzonderingen te exploreren, registratie-opdrachten, een competentie- en netwerkanalyse.
-Een consulterende werkrelatie: de gezinsleden kunnen hun eigen bijdrage formuleren in het stellen van concrete doelen en werkpunten als stappen naar het einddoel. De begeleider werkt samen met het gezin aan doelen en werkpunten, aan het versterken van het vermogen van het gezin om zelf oplossingen te vinden en daarbij bronnen te benutten.
-Een co-expert werkrelatie: het gezin past bewust oplossingsgerichte strategieën toe en is in staat eigen sterke punten en steun uit de omgeving te benutten. De begeleider applaudisseert en rondt af. (vrij naar: Arjan Bolt, 2006, p.21-38; p.110-127 en opleidingsnota’s van de projectverantwoordelijke)
(1) ‘Gezin centraal’ is een methodiek die ontwikkeld werd door Cardea i.s.m. de universiteit Leiden, afdeling orthopedagogiek. Deze methodiek is beschreven in het boek: BOLT, A. (2006). Het gezin centraal. Handboek voor ambulante hulpverleners. Amsterdam: SWP.
